De Duitse kolonie van Antwerpen (19de eeuw)

Een Duitser bezoekt Antwerpen (ca. 1905)

Wie vanuit Duitsland begin twintigste eeuw per trein naar Antwerpen reisde, voelde zich daar waarschijnlijk ogenblikkelijk thuis, zo gauw hij het ‘funkelnagelneue’ station , de ‘Middenstatie’, buitenstapte en De Keyzerlei betrad.

Immers: had hij honger of dorst, hij kon als hij de Keyzerlei afliep, al meteen terecht in hotel-restaurant Stein, toch zeker voor een lekker glas Dortmunder Germania Bier. Wilde hij voor z’n overnachting liever iets sjiekers dan hoefde hij enkel verder te wandelen tot op de hoek met de leien, waar zich het indrukwekkende Grand Hotel Weber bevond. Beviel hem dat niet, aan de andere kant van de Vlaamse Opera was Hotel Wagner. De overige Duitse ‘estaminets’ en restaurant-hotels in de stationsbuurt waren vooral gericht op landverhuizers en hadden vaak vertrouwd klinkende Duitse namen (bijv. Rheingau, Stadt Frankfurt in de Anneessenstraat).

Regende het de volgende ochtend en had onze Duitse reiziger z’n paraplu vergeten, of plots behoefte aan hanschoenen of enig ander gerief, hij kon zeker terecht in Les Magasins Tietz (nu ‘Innovation’) op de Meir, een dépendance van de Duits-Joodse warenhuisketen met als bekendste vestiging die op Berlin Alexanderplatz.
Je kon er ongeveer alles kopen, maar de winkel was toch vooral bekend vanwege z’n belle époque stro-hoeden, ‘nen Tits’ in het Antwerps.

Had hij behoefte aan wat vertier dan nam hij de tram stadinwaarts, waar aan de kaaien of bij de dokken een waaier aan estaminets te vinden was (kroegen, vaak annex hotel, soms annex bordeel). Op de Meir had hij onderwijl het Osterriethhuis gezien en de school van St. Joannis Berchmans, gebouwd op de plek waar de kantoren en magazijnen van de wolhandel van de gebroeders Lemme (beter bekend als Lemmé) gevestigd waren.

Zowel op de Meirbrug (of preciezer:  Huidevetterstraat 12, boekhandel ‘Kornicker’) als de Groenplaats ontwaarde hij een Duitse boekhandel en op de Grote Markt kon hij ook niet naast de schitterende gildehuizen kijken. Ze zagen er als nieuw uit, want ze waren net helemaal gerestaureerd door de firma Kreglinger,  die er zijn kantoren in had. Verbaasd keek hij naar de Brabo-fontein, bekostigd dankzij een legaat uit de erfenis van Auguste Nottebohm expliciet bestemd voor de ‘verfraaiing van de stad’. Via de Suikerrui begaf hij zich naar die fameuze nieuwe kaaien van Antwerpen.

Besloot hij bij het Hansahuis (van de Duitse zakenman-bankier: Wilhelm Malinckrodt) rechstaf te slaan om dan via de Van Dijckkaai en de Zirkstraat richting Falconplein te gaan, dan passeerde hij talrijke talrijke ‘estaminets’. Zoals normaal in een havenstad ademde het geheel een internationale sfeer. Slechts de helft van de lokalen werd uitgebaat door Belgen, de overige uitbaters kwamen uit alle windstreken. De helft echter (¼  van het totaal) was Duits.

Ging hij verder richting de Hanzestedenplaats (nu het MAS) dan was de kans groot dat hij ter hoogte van de Rijnkaai de contouren zou ontwaren van één van de grote zeeschepen van de Red Star Line, een lijndienst voor transatlantisch personenvervoer opgezet en uitgebaat door een vennootschap opgericht door J. Von der Becke en E. Marsily). Naast Antwerps en Frans is de kans groot dat hij veel Duits en Jiddisch zou horen.

Wilde hij op zondag naar de kerk: in de Deutsche Zeitung für Belgien stonden wel twee ‘Evangelische Gottesdienste’ aangekondigd, beide op wandelafstand van het station: het ene aan de Lange Winkelstraat 5, dat rond die tijd volledig door de Duitse gemeenschap werd gerenoveerd en heringericht (Walckerorgel uit Duitsland, glad-lood-vensters van Hochreiter & Geyer, gevestigd in Antwerpen-Zurenborg), de andere net voorbij het Stadspark, aan de Bexstraat, de Christuskirche, een zeer rijkelijke Lutherse Kerk, in 1893 gebouwd met giften van diverse leden van de families Osterrieth, Bunge, Karcher en Fuhrmann om maar enkele van de bekendste te noemen. De glas- in loodramen daar waren van de ‘Königliche Hofmalerei Zettler’ uit München. Ook daar zou hij de klanken herkennen van de Duitse orgelbouwer Walcker. Veel van de kerkgangers woonden in de buurt. De verkaveling van dit gebied was eind 19de eeuw begonnen na de afbraak van de vesten (leien). Het was een statige residentiële wijk geworden. De meest indrukwekkende herenhuizen, echte villa’s, soms met zeer grote tuinen, bevonden zich rond de ‘Warande’ of Pépinière (Koning Albertpark) aan het eind van de Leopoldlei (nu Belgiëlei), door de Antwerpenaars soms kortweg aangeduid als ‘de Duitse hoek’. Daar hadden ze trouwens ook hun eigen cultuur en muziekcentrum: de ‘Harmonie’.

Hoewel niet de grootste buitenlandse gemeenschap (dat was ook toen de Nederlandse, maar die viel minder op), was de ‘Duitse kolonie’ van Antwerpen beslist degene die het meest opviel in het Antwerpen van voor de Eerste Wereldoorlog. Hoe die kolonie hier ontstaan is, wat ze in en voor Antwerpen gedaan heeft, en hoe zij in de nasleep van WO I uit de stad is verdwenen, is de inhoud van de rest van deze pagina (met sub-pagina’s). Om dit goed te verstaan, moeten we terugkeren in de tijd.

Het begon namelijk allemaal toen de Fransen een einde maakten aan de blokkade van de Schelde.

 

Antwerpen in de 18e eeuw

“Wat een akelige troosteloze stad, zo deprimerend ! De schelde gesloten ! gras tussen de straatstenen! En de straten zelf: leeg en verlaten. En dat in deze eens zo beroemde stad…”

 Hester Thrale (beter bekend als Mrs. Lynch-Piozzi) over een bezoek aan Antwerpen in januari 1787, (bron: Observations and Reflections made in the course of a Journey through France, Italy, and Germany, vol II)

Deze emotionele uitroep zal beslist overdreven zijn geweest (het was bijv. gewoon erg koud op dat moment, er dreven zelfs ijsschotsen op de Schelde), maar het geeft wel aan hoe weinig uitstraling Antwerpen nog had aan het einde van de achttiende eeuw: het was een stad met een rijk verleden, maar volgens velen zonder toekomst. Na de afsluiting van de Schelde had de stad haar teloorgang nog wel enige tijd kunnen verhullen/vertragen door zich te herprofileren als centrum van kunst en cultuur (hoogdagen der contrareformatie, Rubens, de invasion conventuelle). Commercieel had ze zich echter totaal moeten heroriënteren. Niet meer het zeegat uit, het oog gericht op de hele wijde wereld met zijn oneindige mogelijkheden, maar landinwaarts: handel met of via de buurlanden was het enige dat nog overbleef: geen maritieme haven, enkel nog binnenscheepvaart. In de achttiende eeuw is Antwerpen nog maar een schim van de eens zo bruisende handelsmetropool. Een veelzeggend cijfer: tegen 1789 werkte ongeveer de helft van de actieve bevolking in de textielsector. Dat past perfect bij een stad ergens in de provincie (vaste land) zoals Aalst, maar is een schrijnend gegeven voor een havenstad.

 

bevolkingcijfers Antwerpen 1550-1794
De evolutie van de bevolkingscijfers in de zeventiende en achttiende eeuw is sprekend: grofweg: 1550, ca. 100.000 inwoners, 1750, ca. 50.000 (terwijl de Europese trend rond die tijd de eerste grootsteden ziet ontstaan). De curve tussen beide getallen is ook veelzeggend: in 1589 (vier jaar na de val van Antwerpen) is het aantal inwoners gezakt tot ca. 40.000. Antwerpen is knock-out, de Schelde gesloten. Tijdens de contrareformatie trekt het bevolkingscijfer aan: 55.000 tijdens het Twaalfjarig Bestand en 77.000 rond 1700. Daarna begint het langzaam weg te zakken tot de 50.000 in 1750. Onder het Oostenrijks bewind krijgt de textielsector wat meer ruimte, maar aan het eind van de achttiende eeuw blijft het inwonersaantal steken op 55.000, een cijfer waarmee het op dat ogenblik in de Europese stedenhiërarchie een doorsnee provinciestad was (bron: Antwerpen, biografie van een stad, p. 31)

Daar komen de Fransen.

In 1794 trekken de Fransen Antwerpen binnen en wordt iets later Nederland omgevormd tot een ‘Bataafse Republiek’. De Schelde wordt heropend. De Fransen onderkennen de potentie die de Antwerpen als havenstad heeft, maar stellen tegelijk vast dat er nog veel moet gebeuren. De winterslaap heeft zo lang geduurd, dat noch de haven qua infrastructuur met z’n sluizen, vlieten, kaaien en dokken, noch de inwoners er klaar voor zijn. Tijdens zijn beroemde bezoek aan Antwerpen (1803) stelt Napoleon de desolate toestand vast en concludeert droogjes, dat ‘alles opnieuw gedaan moet worden, de haven, de kaaien en de dokken’. Kort na zijn bezoek verschijnt er in Brussel een decreet betreffende de bouw van een getijdendok en een dok met een sluis ten noorden van de stad (Grand et Petit bassin, nu Napoleon- en Willemdok). Ook maakte hij geld vrij om de oevers van de Schelde over een lengte van 1.800 meter te voorzien van kaaimuren (ten noorden en ten zuiden van de Burcht) en om grote scheepswerven aan te leggen op de gronden van de St. Michielsabdij (het tracé van de huidige Kloosterstraat volgt de kloostermuur aan de stadskant), en de resterende gebouwen te benutten als arsenaal. De Fransen zien Antwerpen helemaal zitten, maar niet als handelsmetropool zoals in de zestiende eeuw, maar als ‘pistool gericht op het hart van Engeland’.

De stad begint te ontwaken uit haar slaap. Er is weer bedrijvigheid in de havens, er zijn weer werven waar zeeschepen gebouwd worden. Ook al is het voorlopig alles militair, langzaam begint de stad zich weer naar de zee te keren. Echter: wil er handel ontstaan zijn er handelaars nodig, ondernemers, transporteurs, scheepsbouwers, reders, die Antwerpen zien zitten als overslagplaats voor hun goederen. In de tijd van Napoleon wagen zich de eerste (achteraf gezegd: vooruitziende) ondernemers richting Antwerpen en in de tijd van de Verenigde Nederlanden (1815-1830) komt de havenmachinerie volledig onder stoom om dan in de Belgische tijd (na 1831), ondanks systematische obstructie door de Nederlanders (1839 invoering van de Scheldetol, afgekocht in 1863 & het weren van Belgische binnenvaart op Nederlandse binnenwateren) tot grote bloei te komen in de jaren na 1840.

Daar komen de Duitsers

Vanuit Midden-Duitsland gezien ligt Antwerpen vlakbij en is goed bereikbaar. Een ideale maritieme haven dus op voorwaarde van politieke stabiliteit, geen te hoge tolrechten, en als Nederland geen obstructie pleegt op de Schelde of op haar binnenwateren. Ook het feit dat Antwerpen zo diep landinwaarts ligt heeft veel voordelen. De haven kan redelijk gemakkelijk uitgebouwd worden en heeft het een groot ‘Hinterland’: Naast België zelf (de zware industrie in Wallonië begint), het Rijnland en Westfalen (handelspartners vanouds). Ook vanuit Noord-Frankrijk en de Elzas bezien is Antwerpen een voor de hand liggende zeehaven. Sterker nog: niet enkel Hamburg/Bremen of Amsterdam/Rotterdam duchtten de concurrentie van Antwerpen, ook Le Havre/Rouen en zelfs Bordeaux keken met argusogen naar wat er in Antwerpen gebeurde in het begin van de negentiende eeuw.

Opvallend is dat degenen die als eerste de potentie van Antwerpen zagen, niet de Antwerpse zakenlui zelf waren, maar veeleer Franse, Hollandse en – hoe verder de eeuw vorderde – Duitse ondernemers.  De Antwerpenaren waren op zich niet afwezig, maar zij hadden gewoon geen ervaring met maritiem ondernemerschap. Soms waagden zij zich daar wel aan, maar al snel ontdekten de meesten dat dat hun ding niet was. Financieren, bankieren, investeren, verzekeren, daarin lag hun kracht. Dat deden zij dan ook met verve (namen: bankiers Cogels en Le Grelle, om er slechts twee te noemen).

Degenen die na de heropening van de Schelde op Antwerpen afkomen, komen ‘op prospectie’ om te zien of binnen hun reeds bestaande handelsnetwerk de haven van Antwerpen geen mogelijkheden biedt. Zij hebben vaak reeds een internationaal netwerk en bezitten expertise in de maritieme handelswereld. In de beginjaren (onder de Fransen) zien we vaak ‘broederkoppels’ verschijnen. Die worden als het ware vooruitgestuurd, verkennend, pionierend. Achter deze individuen staat een familie, een thuisfront ook, en heel vaak reeds een bedrijf of een handelsonderneming. De idee dat het romantische avonturiers waren, gaat aan dit essentiële gegeven voorbij. Het zijn netwerken die zich uitbreiden, of delen van netwerken die zich verplaatsten. Zij komen naar Antwerpen toe, niet alleen uit Frankrijk (logisch, het is nog de Franse tijd), Nederland, Engeland, en Duitsland, maar ook uit België zelf, uit Oostende bijv, waar immers wel een zeehaven was. En bijna allen zitten ze al in de internationale handel. Zeer opvallend is dat degenen die ‘het eerst kwamen, niet enkel het eerst maalden’, maar ook nadien de grote spelers zijn gebleven. Wat de Duitse kolonie betreft zijn alle bekende namen reeds in de Franse tijd in Antwerpen neergestreken.  Zij kwamen en zijn gebleven. Eigenlijk is het in de kern een heel kleine groep, die door z’n netwerk systematisch uit te breiden is kunnen uitgroeien tot ‘een Duitse kolonie’, die Antwerpen in de 19e eeuw heeft mee opgenomen in de vaart der volkeren. Vaak zijn de lateren of reeds verbonden met deze eersten, of worden via partnerschap (zakelijk of familiaal) in de kolonie opgenomen.

 

Economische migratie en netwerken

Economische migratie vindt plaats binnen of vanuit netwerken (Charles Tilly, Transplanted networks). Men kent elkaar, meestal is men zelfs aan elkaar verwant. Soms heeft men ook elders al samengewerkt. Dit is begrijpelijk: In den vreemde moet men zich zien te redden en zal men geen streepje voor hebben, hoezeer België in die dagen ook een liberale migratiepolitiek voerde en Antwerpen bekend stond als gastvrije stad. Qua persoonlijke veiligheid, comfort, inkomen, sociale relaties neemt men een riscio. Men zal een eigen netwerk moeten hebben om op terug te kunnen vallen als het mis gaat. Zo zien we ‘broers’ samen op avontuur gaan. En als er dan eenmaal een groep is dan heeft men via het internationale netwerk een toegang tot de nieuwe wereld. Die delen van het netwerk die in een andere samenleving leven, ontwikkelen dientengevolge vaak een sterke groepsidentiteit. Mensen die in hun land van oorsprong niet bijzonder nationalistisch van aard zijn, kunnen in hun nieuwe thuisland plots zeer patriottisch worden. De Duitse gemeenschap in België vierde de festiviteiten ter gelegenheid van de Kaisersgeburtstag ( de verjaardag van de Duitse keizer Willem II) anders en waarschijnlijk intenser dan in de Heimat. Zo blijkt bijv. uit de getuigenis van een Duitse lerares, ene mevrouw H. Loose, die in 1918 leerkracht was op de Antwerpse school: “Ik kom uit de Pfalz, en dit feest heeft mij altijd wat verbaasd, want bij ons werd de Kaisersgeburtstag helemaal niet zo feestelijk gevierd.” (geciteerd bij E. Huhn, Die allgemeine Deutsche Schule… thesis UFSIA, 1973, p. 128). De Duitse immigratiestroom (als we afzien van de vele immigranten die Antwerpen gebruikten om naar ‘de Nieuwe Wereld’ te gaan) was een vorm van ‘carrièremigratie’, een poging om een verbeterde positie te bereiken op de professionele arbeidsmarkt. Dit is een vorm van ‘kettingmigratie’: in het kielzog van een geslaagde migratie komen anderen ook en als omkadering van de migratiestroom ontstaat er ook behoefte aan zo ongeveer alles, waarin dan in eerste instantie vanuit het eigen netwerk wordt voorzien. Naast deze vorm van migratie zijn er ook nog talloze jonge Duitsers geweest (vooral klerken) die in de Belgische bedrijven hun opleiding kwamen vervolmaken, om vervolgens terug te keren naar Duitsland: ‘circulaire migratie’. Deze gaat echter makkelijk over in kettingmigratie, want ze bevordert de uitwisseling van kennis en doet het geheel aan vaardigheden om tot de uitbouw van internationale handelsnetwerk te komen toenemen. Zo leerde wolhandelaar Heinrich Tieman bij Hammel & Cie de kneepjes van het vak, waarna hij op zijn beurt de gebroeders Fuhrmann uit Berlijn en de gebroeders Rhodius uit Linz-am-Rhein opleidde. Allen zijn uitgegroeid tot succesvolle Antwerpse wolimporteurs. Tieman is eind negentiende eeuw consul van Duitsland en in de kamer van koophandel treffen we zowel een Fuhrmann als een Rhodius aan.

De vier voornaamste Duitse families, die zich in de Franse tijd hier vestigden. Steeds zal blijken hoe het geen individuen ware, maar hoe het (internationale) netwerk waar zij reeds deel van uitmaakten, zich via hun vestiging in Antwerpen uitbreidde en ook door onderlinge verbinding steeds sterker werd (meer info op subpages).

1. De broers Christian en George Kreglinger. Als zij in 1797 in Antwerpen een handelshuis oprichten (koffie, wol, tabak, leer,), dan is dat wel een nieuw bedrijf maar tegelijk ook niets anders dan een zoveelste tak aan een stevig in Europese bodem verwortelde boom. Ze stammen immers uit een handelsfamilie afkomstig uit Karlsruhe en zij hebben zich voordat ze zich in Antwerpen hebben gevestigd al geperfectioneerd in het vak door stage te lopen bij bevriende handelshuizen resp. in Frankfurt am Main en Amsterdam. (meer…)

2. De broers Johann-Abraham en Wilhelm Nottebohm. Zij zijn afkomstig uit Bielefeld en vestigden zich in 1811 in Antwerpen en leerden het vak in het Frans-Zwitserse handelshuis Parish, Agie & co. in Antwerpen. Zij richtten vervolgens een eigen handelsfirma op, de firma Nottebohm frères. (meer…)

3. De broers Johan Ludwig en Christiaan Lemme. Zij arriveren in 1814 in Antwerpen, vanuit Frankfurt-am-Main (haven/handelsstad). Antwerpen is nog Frans. Hun naam dus ook: Lemmé. Ook zij komen in opdracht van hun oom. Als de firma groeit richten zij een bijhuis op in London. Zij specialiseerden zich vooral in de handel in wol en huiden. Rond 1820 verhuizen ze hun kantoor naar een volledig gerestaureerd huis op de Meir (op de plek van het voormalige Karmelietenklooster, een zee van ruimte voor kantoren en magazijnen, later St. Jan Berchmanscollege) en wordt Christian lid van de Kamer van Koophandel. Na de dood van Christian Lemmé in 1863 wordt – en nu komen we bij de volgende grote naam, de zaak overgenomen door zijn schoonzoon en vennoot Ernest Osterrieth (ook geboortig uit Frankfurt a. Main). Lodewijk (Louis) Lemmé gaat in 1869 een vennootschap aan met Gustave E. Kreglinger (kleinzoon van…).

4. De gebroeders Martin en Karl Grisar. Zij speelden een grote rol als reders en maakten Antwerpen tot een echte wereldhaven. Op de klank af zijn het geen Duitsers. Dat klopt ook: de familie Grisar heeft wortels in Luik, maar was reeds enkele generaties lang actief in Nievern bij Ems (houtbewerking, bouw). Twee broers Martin en Karl Grisar begeven zich begin negentiende eeuw naar Antwerpen. Op dat ogenblik zijn er nog maar enkele reders actief in de jonge havenstad. Martin gaat in de leer bij Christoph Duhring (uit Broch) en in 1811 benoemt Napoleon hem tot zelfstandig scheepsmakelaar. Datzelfde jaar associeerde zijn broer Carl Grisar zich met een andere reder Anton Giese (uit Munster), een oom van de gebroeders Nottebohm, en de Engelsman W. Marsily, eveneens scheepsmakelaar, afkomstig uit London. De firma ‘Grisar & Marsily’ ziet het levenslicht. (meer…)

Zo zou het verhaal eindeloos verder ontvouwd kunnen worden: We zouden kunnen noemen de verschillende leden van de familie Havenith (Eupen), diverse leden van de familie Mayer (Keulen, die een het huis ‘Essingh’ overnamen, en van wie een kleinzoon, Fritz, een museum aan de stad heeft nagelaten – het museum Mayer van den Bergh, of de gebroeders A. en E. Weber (Elberfeld) die in Haïti hadden gewerkt en zich specialiseerden in de import van koffie.

En dat is dan nog maar de eerste golf, die – zoals we in het begin al stelden, al in Antwerpen aankwam voordat België bestond. Gaandeweg de negentiende groeide dit netwerk exponentieel. Het bleef sterk familiaal gekleurd, maar werd wel steeds groter en complexer. De families die zich hier al gevestigd hebben, raken via huwelijken met elkaar verbonden. Men kan bijna willekeurig een naam noemen uit de Duitse gemeenschap van toen en dan door een genealogisch onderzoek te doen stuiten op een hele resem aan andere Duitse familienamen. Zo trouwde Herman Osterrieth (geb. 1844), met Augusta Kreglinger (1848) en huwt hun dochter Helena (Hélène) met J. Von der Becke  (van de Red Star Line – zie ook excurs… infra). Haar jongste zus, Elsa, huwt  met C.A. de Bary. En als men nieuw bloed in de firma wenst en het is niet van hier, dan is er vast in het thuisland nog wel een betrouwbaar persoon die kan overkomen om te helpen. Heeft men een ‘nanny’ nodig: men laat er één komen uit Duitsland, of krijgt er één aanbevolen door een bevriende familie. In sociologische kringen spreekt men van ‘kettingmigratie’. Vanwege de grote mate van ‘zelfvoorzienendheid’ kan men dan ook – zeker vanaf het laatste kwart van de 19e eeuw – spreken van de ‘Duitste kolonie van Antwerpen’.

Veel welstellende Antwerpse burgers van Duitse origine vestigden zich op de nieuwe gronden buiten de leien (ruwweg: ten Zuiden van het Stadspark tot de grens van Berchem). In de regio rond het Albertpark , gewoonlijk de ‘Warande’ genaamd, woonden er zoveel bij elkaar, dat men ook wel sprak van de ‘Duitse hoek’. Ter illustratie: de Kon. Elisabethlei: Huize Herbosch is eigenlijk het huis dat J. von der Becke (gehuwd met H. Osterrieth) liet bouwen in 19…?.. Daarnaast stond – op de plaats van het provinciegebouw – het huis van de fam. Kreglinger (verwoest door een bom WOII) en daarnaast het huis van Peter Fuhrmann (gehuwd met Elvira Kreglinger), afgebroken na WOII. Opnieuw is architect J. Hertogs hier zeer actief .

De huizen/percelen/nummering van de Koningin Elisabethlei is een tricky business. Omdat er veel misverstand over is, hetvolgende (gebaseerd op Serge Migom, Een huis voor de provincie). In de 19e eeuw wordt hier een park aangelegd, de Warande. N.B. De Jan Van Rijswijcklaan is er nog niet. De Koningin Elisabethlei heette toen de Warandestraat. Hier bevinden zich – aan de rand van de stad – veel losstaande woningen met grote tuinen (= eigenlijk ben je op ‘de buiten’). Deze worden bebouwd, verkaveld, verkocht etc..

We beginnen aan de stadskant: Walter Kreglinger verwerft in 1870 een groot perceel. Hij bouwde, verbouwde, brak af en splitste in de jaren 1890 het perceel op:

  • nr. 16 Gustaaf Ernest Kreglinger bouwde in 1894 aan de Warandestraat 7 zijn huis (arch. Hertogs)
  • nr. 18: (het andere perceel verkocht aan: Karel-Alfred Good-Engels: neorococo huis Koningin Elis 18 (arch. Hertogs) 1896-1899

Van de andere kant komend: Fam. Von der Becke bezat twee domeinen in deze buurt. ‘ Witte Huis’  waar nu de Jan van Rijswijcklaan begint en domein Gottal. Dit laatste wordt gesplitst in 3 percelen

  • Nr. 26 = Huis voor Von der Becke zelf = Huize Herbosch 1912
  • Nr. 24 = verkocht in 1909 aan Paul Kreglinger: herenwoning arch Van Dijk (logisch = zelfde als van de kantoren op de Grote Markt!).  > V bom 1944
  • Nr. 22 = Fam. J. (?) Fuhrmann  (arch Hertogs), 1892

Tussen beide stukken in staat dan nog nr. 20 = 1907 bebouwd door J. Van der Linden (arch Hertogs).

Tijdens WO II zijn de nrs. 18, 20, 22 door de Duitsers opgeeist. Waffen SS/ Sipo-SD. Na WO II: Britse Welfare neemt de huizen in gebruik en eind 1945 vestigt de provinciegouverneur enkele van de provinciediensten in met name de nrs. 18 en 22.

Toen door de Frans-Duitse oorlog (1870) de Franse zeehaven Le Havre ontoegankelijk werd, kreeg Antwerpen een tweede golf ondernemers uit die regio binnen haar (tegen dan afgebroken) stadsmuren. Uit deze periode dateert bijv. de komst van de familie Bracht ( handel in ijzer- en staalproducten, cement en chemicaliën) en vooral van het handelshuis Eduard Karcher. Hij vulde de kring aan die handel dreef met Zuid-Amerika. Tegen het eind van de eeuw is de Antwerpse haven niet enkel meer invalspoort voor overzeese goederen, maar een echte draaischijf van een zeer gevarieerde goederenuitwisseling tussen West-Europa en de rest van de wereld. Haar bijzonder gunstige ligging (op een echt knooppunt van bijna alle voorname handelsroutes vanuit Europa) werd door de scheepsmakelaar ter plekke ook aangegrepen om oude en nieuwe goederentrafiek via Antwerpen te laten verlopen. Na Zuid-Amerika, kwam ook Afrika en later Australië in beeld. Von Bary was er een meester in om via zijn netwerk (gestoffeerd met feesten en luisterrijke recepties) politici en firma’s te overhalen om zich aan de haven van Antwerpen te binden. Het ‘hinterland’ was niet enkel de ontvanger van de producten uit Engeland en de overzeese gebieden, maar werd ook steeds meer zelf producent van. M.n. het het Ruhr- en Rijngebied veranderde in die jaren in snel tempo van een overwegend agrarisch gebied in een industriële mogendheid van mondiale betekenis. De keuze van Antwerpen boven Rotterdam moet dan ook gezien worden in het licht van de Duitse doorvoerpolitiek. De halffabrikaten en eindprodukten van de Duitse industrie uit het Ruhr- en Rijngebied zouden via Antwerpen het snelst en meest efficiënt naar overzeese gebieden kunnen worden uitgevoerd. (K. Veraghtert, “Het economische leven in België 1895-1914. Buitenlandse handel”). De ijzeren Rijn bepaalde in 1843 de transport tijd tussen Keulen en Antwerpen op 36 uur.

 

Het leven zoals het was in de Duitse kolonie van Antwerpen

Meer dan in Brussel en zeker meer dan in Luik vertoonde de Duitse gemeenschap in Antwerpen de kenmerken van een echte kolonie. Numeriek woonden er meer Duitsers in Luik en Brussel, maar die kolonies waren heel anders samengesteld. In Luik waren het vooral mijnwerkers en in Brussel (financieel centrum) ging men gemakkelijk op in het milieu waarin men werkte en velen beschouwden Brussel als springplank naar Parijs. In Antwerpen was de kolonie veel homogener en kenmerkte zich door een grote invloed, sterke organisatie en sociaal-economische verankering. Bovendien slaagden de Antwerpse Duitsers er meer dan elders in om een hecht netwerk van sociale, economische en culturele verenigingen uit te bouwen. De drijvende krachten achter dit netwerk waren de gefortuneerde kooplui en ondernemers, die we reeds tegenkwamen. Een Duitser in Antwerpen kon voor alles van z’n eigen cultuur in Antwerpen terecht. Wilde hij zich bekwamen in het zingen van de oeroude Duitse liederen (wat in die tijd net opkwam), dan kon hij zich aansluiten bij de “Deutsche Liedertafel”, in 1858 van start gegaan met een dertigtal werkende leden en een tweehonderdtal ereleden. In 1914 bestond het gezelschap uit 400 leden en hield een professioneel koor op de been van 50 stemmen. Wilhelm von Mallinckrodt was 16 jaar lang voorzitter van het bestuur. Het koor van de Deutsche Liedertafel was veelgevraagd, ook buiten Antwerpen, om gebeurtenissen met een Duits karakter op te luisteren.

Was je wat onzeker als ‘kommies’ in die grote vreemde stad, dan meldde je je aan bij Germania . Deze vereniging zorgde voor goedkoop logement voor pas aangekomen Duitse werkzoekenden. Het beschikte over een verenigingshuis en een logeerhuis (eerst op de Ossenmarkt, later in de Gemeentestraat). Daar was een welgevulde bibliotheek voorzien en werden regelmatig activiteiten georganiseerd om de jonge mannen te behoeden voor ‘de gevaren van een grote havenstad’. Germania was in het leven geroepen door de Deutsche Evangelische Christuskirche  (zie onder). Een soortgelijk instelling was er ook voor zeelieden In 1883 was reeds een Verein für Deutsche Seeleute in Antwerpen opgericht. Zij bood onderdak aan matrozen die zonder werk zaten en probeerde via berniddeling bij Duitse rederijen hen te doen aanmonsteren. In 1907 hielp men op die manier 1987 zeelui aan werk op 502 Duitse schepen van 43 rederijen. Het logementshuis kende zo’n groot sukses dat men moest gaan uitkijken naareen grotere verblijfplaats. In 1908, vijfentwintig jaar na de oprichting, werd het Deutsches Seemannsheim plechtig in gebruik genomen (Brouwersvliet). Een groot deel van de kosten werd gedragen door een stichting van Julius Rautenstrauch  en zijn vrouw Maria Rautenstrauch, geboren Pfeifer. Andere geldschieters waren o.a. Alfred Schuchard, Georg en H. Albert von Bary, Peter en Daniel Fuhrmann. Het zeemanshuis bood onderdak aan 100 gasten (Brouwersvliet, geopend 1908, voorheen stond een kleiner Zeemanshuis aan de de Rijnplaats, met daarnaast een ‘Heuerstelle’, voor het aanwerven – monsteren, ronselen – van zeelui).  Ook hier natuurlijk een bibliotheek.

Een gezonde geest vraagt om een gezond lichaam: de Deutsche Turnverein stond voor u klaar. Was je wat internationaler geöriënteerd, dan kon je proberen lid te worden van de sportvereniging Beerschot Athletic Club, opgericht door Alfred Grisar. Die had zelf in Brighton gestudeerd en het sportleven aan een ‘college’ leren waarderen. Zijn vader Ernest Grisar had in 1895 al een stuk grond aangekocht op het Kiel en samen met Max Elsen, Edouard Lysen, Charles Hunter en Paul Müller stichtte hij in 1900 Beerschot Athletic Club. Echt Engels, die Duitsers: hardlopen, tennis, cricket, hockey en polo. De namen van de leden van het erecomité spreken boekdelen: Alfred Osterrieth, Eugene Kreglinger, Max Schnitzler, Fritz van den Abeele en Maurice Joostens. Tot de stichtende leden rekende men o.a. Carl de Bary, Emile Grisar, Alfred ‎Havenith, Paul Havenith en Adolf Scheibler. Ook de Royal Yacht Club d’Anvers komt voort uit ditzelfde milieu.

Werd u ziek, of moest u verpleegd worden. Naarmate de Duitse kolonie langer in Antwerpen was, kwam ook dit stuk van het netwerk tot bloei. Er was een mutualiteit: “Hand in Hand” Er waren Duitse artsen en veel dames uit de Duitse kolonie waren actief in de charitatieve sector: Mw. Bunge (echtgen. Karl (Charles) Bunge, moeder van Eduard Bunge) was de oprichtster van een Evangelisch-protestantische Frauenverein (1860), die zich vooral richtte op de opvang voor verweesde en verwaarloosde meisjes en daarvoor in 1868 een ‘Haus der Barmherzigkeit’ stichtte (gevestigd in de Lange Lozanastraat). Mw. Leonie Osterrieth (geboren Mols) was zo actief in het charitatieve miliue dat zij wel genoemd werd de….

Het spreekt voor zich dat de toplaag van de kolonie actief deelnam aan het socio-cultureel leven van de stad Antwerpen in haar geheel. Velen onder hen waren lid en zelfs bestuurslid van één of andere Antwerpse vereniging. Ook profileerden veel gefortuneerde Duitsers zich als kunstmecenassen, organiseerden huisconcerten, of speciale banketten en hielden er uitgebreide kunstcollecties op na.

Antwerpen bezat eind 19de eeuw ook een eigen Duitse school met een goede reputatie, ze was gesticht als Diakonieschule (protestants) door Vlaamse en Duitse leden van de protestantse kerk aan de Lange Winkelstraat (1841). Vanaf de jaren 1850 werden de schoolbelangen behartigd door een schoolcomité en werd er besloten tot schoolbouw achter de kerk (1852). Een in steen gehouwen plakkaat herinnert aan de achterzijde van de kerk (op het schoolplein) herinnert daar nog steeds aan. [afbeelding] Omstreeks 1870 had de Duitse gemeenschap in Antwerpen in grote mate aan uitstraling en gewicht gewonnen dat de school de facto een Duitse school was geworden, zowel in de toestroom aan leerlingen als in het lerarencorps. In 1873 volgde de splitsing tussen de Duits-protestantse en de Hollandse gemeente. De school werd officieel een Duitse school, maar met lessen in vele talen, waaronder Frans, Engels en Latijn. De Duitse kolonie zorgde voor de financiën. In 1874 vergaderden 33 familievaders over de bouw van een nieuw schoolgebouw. Het benodigde geld werd verzameld en in de Quellinstraat werd een indrukwekkend gebouw opgetrokken. De school werd omgedoopt tot de „Allgemeine Deutsche Schule‟. De school werd ook bezocht door kinderen van Belgische andere ingeweken ouders. Tegen de eeuwwisseling werden ook de laatste formele banden met de Evangelische Kerk doorgeknipt.

TERZIJDE: De school achter de kerk werd ondertussen gebruikt als Hollandse Diakonieschool. Vanaf de jaren 1890 begonnen ook de Duitstaligen er weer lessen in te richten, maar dan voor de armen. Zij betaalden het schoolgeld. Vanaf 1904 verdween de Nederlandstalige afdeling en kwam de Duitstalige school nog tot grote bloei. In 1926 werden de gebouwen opnieuw in gebruik genomen door de Nederlandse Hervormde gemeente van de Lange Winkelstraat en heeft als vrije protestantse basisschool, ‘Burgemeester Marnixschool’ een grote bloei gekend.

Wilhelm von Malinckrodt (daar is hij weer) stelde zich financieel garant en een nieuwe schoolcommissie zette zich aan het werk. Op dat moment waren er 21 leerkrachten voor 333 leerlingen. In 1906 telde de Allgemeine Schule van kleuterschool tot middelbaar meer dan 600 leerlingen, jongens en meisjes, dubbel zoveel als in 1902. Bijna driekwart was Duits, de andere drie voornaamste groepen waren Nederlandstalig, Franstalig en Engelstalig. Van de 33 leerkrachten waren er 20 Duitsers, één leerkracht was Engels en 12 onder hen hadden Frans als moedertaal. In 1913 telde de school al 843 leerlingen (412 jongens, 379 meisjes en 52 kleuters). De school was tweetalig, Frans werd niet enkel als taalvak onderwezen, zoals Nederlands, maar ook er werden ook enkele vakken in het Frans gegeven. Leerlingen hadden de keuze tussen rooms-katholiek of Evangelisch godsdienstonderricht. Het onderwijs was van een erg hoog niveau. In 1912 werd een gloednieuw gebouw in de Quellinstraat neergezet. Het bood meer ruimte en had alle faciliteiten, van feestzaal tot zangzaal. Die feestzaal was meer dan een zaal, het was de centrale ontmoetingsplaats van de Duitse gemeenschap waar alle belangrijke vieringen en feesten plaatsvonden. De nieuwe feestzaal werd feestelijk ingehuldigd in aanwezigheid van alle hoogwaardigheidsbekleders: de Duitse generaalconsul in Antwerpen, de Keizerlijke consul in Luik en de Keizerlijke Duitse gezant in Brussel. Tijdens de oorlog werd de school zo bijna vanzelf geassocieerd met de pangermaanse gedachte.

Ook religieuze instellingen behoorden tot het verenigingsnetwerk van de Antwerpse kolonie. Typisch voor Antwerpen was de dominantie van protestantse groep (Evangelisch in het Duits). Daarnaast waren er behoorlijk wat katholieken (meestal afkomstig uit het Rijnland) en een niet onaanzienlijke groep Joden. De katholieke groep viel het minst op: er was een Duitse mis in de kerk van de Jezuïeten (Frankrijklei). De Joodse groep bevatte naast veel diamantslijpers ook enkele prominente bankiers zoals Bisschofsheim en Cahen, maar de bekendste Duits-Joodse Antwerpenaar was ongetwijfeld Leonhard Tietz die een belangrijke internationale warenhuisketen uitbouwde met vestigingen in …. en aan de Meir een prachtige pand liet bouwen dat in de volksmond ‘Den Titz’ genoemd wordt (naar de strooien hoed die men daar verkrijgen kon), nu de Innovation (architect, J. Hertogs). Cultureel was de Joodse gemeenschap onderdeel van de Duitse kolonie. Ook de bekende school, Jesode Hatorah, was geöriënteerd op het Duitse Hirsch-gymnasium. De meeste Joodse kinderen gingen echter naar de Allgemeine Deutsche Schule (zie onder). Eens de synagoge aan de Bouwmeesterstraat klaar was (1893) vonden zij daar meestal onderdak.

Zoals gezegd, was de grote meerderheid was protestant wat een eigenaardig probleem opleverde in Antwerpen. Immers: in Antwerpen was er toen zij aankwamen (Franse tijd) helemaal geen protestantse kerk, ook niet als het onder Napoleon tot het herstel van de roomskatholieke kerk kwam. Onder koning Willem werden de Duitsers gerekend tot de Protestantse Kerk, maar de Hollandse (of Franse) eredienst die daar vigeerde had een calvinistisch karakter, terwijl de meeste Duitsers Luthers waren. Dit verschil was in de ogen van de toenmalige protestanten theologisch wel te overbruggen, maar liturgisch lag dat moeilijker.

Onder koning Willem I hadden de protestanten een kerk toegewezen gekregen (voormalige kloosterkerk der Annuntiaten, Lange Winkelstraat 5). Op zich was de calvinistische strekking dominant in in de ‘Nederlandsche Hervormde Kerk’, maar vanwege de grote hoeveelheid Duitse troepen (o.a. het regiment ‘Jenner’) werden er ook diensten in het Duits gehouden.

Na de Belgische omwenteling veranderde de situatie abrupt. Bijna alle Noord-Nederlanders waren verdwenen en degenen die overbleven waren de reeds in Antwerpen verankerde handelsfirma’s en dus plots voor een groot deel Duits. Tot het kerkbestuur in 1830e.v. behoorde o.a. C. Kreglinger, een zoon van (nakijken). Zij behielden het gebouw en bewerkstelligden dat er een predikant kon worden beroepen: Pfarrer Sebastian Spörlein uit de Elzas (Frans-Duits). Gaandeweg de eeuw herstelde de Nederlands-Vlaamse parochie zich, maar groeide vooral de Duitse Lutherse kerk uit tot een grote speler in het Antwerpse gebeuren. Er werden plechtige vieringen georganiseerd bij de verjaardagen van de Belgische koning, of de Belgische staat, maar wat evenzeer typerend is, dat ook Bismarck en vooral de Duitse keizer (Geburtstagsfeier), zijn plechtige vieringen krijgt in Antwerpen. Als in 1873 een liberale predikant wordt beroepen naar Antwerpen (J. Seitz), dan besluit een meer behoudsgezind gedeelte van de Duitse protestantse gemeenschap voor zichzelf te beginnen. Na een twintigtal jaren te gast te zijn geweest bij diverse andere Lutherse kerken (Noorse zeemanskerk: Handelsplaats, nu Tunnelplaats), kunnen zij op 1 november 1893 hun eigen kerk inwijden, gebouwd en ingericht met voornamelijk eigen middelen: de Christuskirche aan de Bexstraat, waarvan de toren indertijd als studio, annex zendmast, diende voor Georges de Caluwé (radio Antwerpen, radio ’t Kerkske).

Misschien nog belangrijker dan dit is dat in een overwegend roomskatholiek milieu deze Lutheranen wel op vriendschappelijke voet verkeerden met hun Antwerpse ‘peers’ uit het zakenleven of het culturele of sociale milieu, maar dat – uitzonderingen daargelaten – een huwelijksverbintenis tussen een autochtone Antwerpse familie (bijv. Osy, of Baelde) quasi uitgesloten was. Doordat de Duitse kolonie zich zo enorm had uitgebreid en een echte sub-cultuur vormde, bleven ook de kinderen van de tweede en derde generatie (die op zich al volledig verantwerpst waren, d.w.z. net zo goed Frans spraken als Duits) vaak binnen het eigen milieu bleven. Een protestant zal niet snel zijn overtuiging opgeven, zeker niet als van hem geëist wordt dat hij zijn kinderen roomskatholiek moet opvoeden, zoals gevraagd werd bij een huwelijk (en de laatste tijd keert de vraag weer terug). Wel veranderde het huwelijkspatroon van de Duitse migranten in die zin, dat in de eerste helft van de negentiende eeuw veel Duitsers nog naar Duitsland terugging om een Duitse echtgenote te vinden, terwijl in de volgende generaties er vaak onderling gehuwd werd binnen de Duitse kolonie

[zie hiervoor ook: Jonas Ongenae, In de naam van de Vader, de Zoon en de Duitse Keizer. Duitse protestantse kerkgemeenten in België voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, onuitgegeven e-thesis RUG]

ansichtkaart ong 1910_bis

FACTS & FIGURES 4: Hoeveel Duitsers woonden er in Antwerpen?

Volgens de volkstelling van 1910 woonden er in de stad Antwerpen 8.346 mensen met de Duitse nationaliteit. Greta Devos en Marie-Thérèse Bitsch schatten de omvang van de Duitse gemeenschap in hetzelfde jaar op ongeveer 20.000, waaronder ongeveer 5.000 tot Belg genaturaliseerde Duitsers (6 à 7 % van de Antwerpse bevolking). Enkel de Nederlanders overtroffen de Duitsers in aantal in Antwerpen. Hierbij moet men echter in het achterhoofd houden dat de sterke Nederlandse aanwezigheid amper in het oog sprong, terwijl de goed georganiseerde Duitsers naar het aanvoelen van de Antwerpenaars de belangrijkste groep immigranten vormden. Het gros van de Antwerpse Duitsers was afkomstig uit de huidige deelstaten Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts. Ook Duitse havensteden, zoals Hamburg, leverden immigranten. Eigentijdse schattingen spraken van 20.000 tot 50.000 en zelfs 90.000 Duitsers in Antwerpen, maar deze schattingen waren waarschijnlijk overdreven door psychologische factoren. De meerderheid van deze migranten kwam op jonge leeftijd naar België. Uit onderzoek van H. Greefs blijkt dat de leeftijdsgroep 21-30 jaar 54% van de immigranten omvat. Telt men daarbij de migranten tussen 31-35 jaar, wordt het zelfs 71%. Van deze jongvolwassenen bestond veruit het merendeel uit jonge mannen. N.B. Lieven Saerens spreekt in zijn studie naar de Joodse kolonie in Antwerpen ook nog eens over een 5.000-8.000 Duits-Hongaarse Joden rond diezelfde periode.

Duitse migranten in Antwerpen kwamen na het midden van de negentiende eeuw dus terecht in een goed georganiseerd, breed en toegankelijk sociaal netwerk, inclusief scholen en eerstelijnszorg. Er waren Duitse bakkers, slagers, cafés, restaurants en dokters. Eén van de best vertegenwoordige beroepsgroepen na de ‘kommies’ is de ‘kelner’ (Na de haven was de horeca de tweede tewerkstellingsbron voor Duitse immigranten).  Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telde Antwerpen maar liefst 50 Duitse verenigingen, die gegroepeerd waren in het „Zentral-Ausschus der Deutschen Vereine‟. Deze koepelorganisatie stond onder leiding van Heinrich Albert von Bary, niet voor niets ‘de Duitse burgemeester van Antwerpen’ genoemd. Voor het professionele, sociale en culturele leven was de Duitse kolonie dus zo goed als zelfvoorzienend. Verenigingen op al die gebieden, incl. de caritatieve werden gefinancierd door de Duitse kolonie zelf, waarvan leden van de voornaamste families vaak bestuursfuncties bekleedden. Hoewel Duits, waren ze ook Belg. Bij de meesten was de nationale identiteit niet gesloten, en was hun ‘Deutschtum’ slechts een onderdeel van hun identiteit als burger, en ook niet exclusief voor andere loyaliteiten. Het Belgische vorstenhuis was bij de meesten even geliefd als de Duitse keizer. Misschien is de omschrijving als kosmopoliet met Duitse wortels nog het meest adequaat, zeker voor die families die hier al langer waren.

 

Het einde van de Duitse kolonie

Vlak voor het uitbreken van WO I was er in Antwerpen dus een zeer krachtige, volledig met het sociale en economische weefsel van de stad verweven, Duitse kolonie. Hoewel niet de grootste buitenlandse aanwezigheid (dat waren de Nederlanders) was zij met haar goed 6% van de bevolking bepalend voor het leven in de stad. Veelzeggend is dat maar liefst één derde van de leden van de Antwerpse Kamer van Koophandel in 1914 van Duitse oorsprong was. Deze rijke, vooraanstaande Duitse migranten, vaak al enkele generaties woonachtig in Antwerpen, namen actief deel aan het Antwerpse socio-culturele leven. Ze waren lid van of bekleedden bestuursfuncties in Antwerpse verenigingen die gericht waren op ontspanning en cultuur, zoals de ‘Société Royale d’Harmonie (met in de zomer openluchtconcerten en  optredens van alle Europese topartiesten in het  ‘zomerlokaal’; ‘s winters in de zaal aan de Arenberg) de Cercle artistique, littéraire et scientifique etc. De begoede Duitsers leunden sterk aan bij de Franstalige Antwerpse elite en op politiek vlak waren ze over het algemeen liberaal gezind. De eerbiedwaardige oer-belgische cultuurkring Cercle Philotaxe-Philadelphie beschreef zichzelf in het societyblad ‘Tout-Anvers’ van 1913 met de alleszeggende zin: le plus cosmopolite: l’élément allemand y domine. De drie begrippen: Belg, kosmopoliet, en Duits werden op dat moment niet als conflicterend beleefd. Dat zou dus snel veranderen.

Toen WO I uitbrak geraakte juist deze groep in een morele spagaat. De spanning rond hun aanwezigheid in Antwerpen was voor de oorlog al aanzienlijk gestegen, maar kon nog afgedaan worden als Franse propaganda (wat het ten dele ook was). Dat de in Antwerpen woonachtige Duitsers eigenlijk bijna zonder uitzondering naast Duits ook franstalig waren en qua muziekcultuur bijv. eerder op de Franse dan op de Duitse cultuur geöriënteerd waren, mag een ironie van de geschiedenis heetten. Toen de oorlog uitbrak, keerde de bevolking zich massaal tegen de Duitse kolonie. Veel Duitse gezinnen werden letterlijk uit de stad gejaagd en vluchtten naar Nederland of Engeland, anderen werden geïnterneerd. Plots stonden de Duitse Antwerpenaars dus voor een keuze die hij zelf niet als zodanig beleefde, een verscheurden keuze dus: Opeens was het zwart-wit: of Duits of Belgisch, niets ertussenin en ook niets erboven uit. De verbondenheid met het Duitse moederland (cultuur) kwam zo in conflict met de sterke band die ze met Antwerpen en de Belgische bevolking hadden. Veel reeds lang in Antwerpen gesettelde families kozen resoluut voor hun Belg-zijn en toonden dat ook in het openbaar (zie excurs). Toen Antwerpen viel en de verdrevenen terug konden keren was de spanning in de stad te snijden. De gruwelen die de Duitse troepen onderweg hadden aangericht èn nog dagelijks aan het Westelijk front aanrichtten waren nog veel te vers om genuanceerd te reageren. Velen keerden ook niet terug. Trouwens: veel handel viel er niet meer te drijven: de Schelde werd immers weer geblokkeerd, deze keer door de Engelsen. Zij die wel terugkeerden troffen bij thuiskomst soms hun huizen en winkels leeggeplunderd aan en stootten vervolgens op een muur van wantrouwen. De één al meer van harte liet zich paaien door Duitse bezetter, die hen volgaarne steunde. Deze poogde zelfs welbewust de Duitse kolonie voor z’n karretje te spannen. De wederopbouw van het kerkelijk leven van de beide Duitse kerken en de heropening van de Duitse School werden sterk aangemoedigd. Er werd een Wohlfahrtsausschuss der deutschen Kolonie opgericht bedoeld om het Duitse leven in Antwerpen te herstellen. Voorzitter werd de Antwerps-Duitse handelsman Richard Böcking, tevens voorzitter van de Verwaltungsrat (‘kerkfabriek’) van de Protestantse kerk aan de Lange Winkelstraat. Ook in het bestuur zat Dr. Gaster van de Allgemeine deutsche Schule en Pfr. Eichler van de Duitse gemeente aan de Lange Winkelstraat. Uit protest stapten enkele Duitse families op en bleven andere Belgisch-gezinden weg. Het merendeel bleef echter. Ze hadden kort voor de oorlog nog enorm geïnvesteerd in de restauratie van het kerkgebouw. Ook de twee grote geldmagnaten Von Bary en Mallinckrodt kozen radicaal voor een pro-Duitse houding. Of deze gevoed werd door nationalisitsche gevoelens kan betwijfeld worden. Beiden waren handelaars in hart en nieren. Zij meenden dat hun zakelijke belangen het best gewaarborgd waren als de Antwerpse haven onder Duitse controle zou blijven. Zij gokten dus verkeerd, echter  niet zonder de risico’s gespreid te hebben. Aan het eind van de oorlog had Von Bary z’n kapitaal al lang via Berlijn ondergebracht in Holland, waarheen hij zelf ook uitweek toen de oorlog ten einde liep. Dat hij de straatnaam die hij zich in Antwerpen had verdiend hierdoor kwijt speelde (na de oorlog hernoemd in ‘Jan Blockxstraat’) , moest hij dan op koop toe nemen.

Heel anders ging het toe in de tweede Duitse kerk, de Christuskirche, daar vertrok een aanzienlijk deel van de leden, toen de eigen predikant, Pfarrer Frick, ook garnizoenspredikant werd en volledig de Duitse kaart trok. In 1915 waren 274 families in Antwerpen aangesloten bij deze kerk (iets meer dan de helft van voor de oorlog), maar zeer opvallend is dat velen hun bijdrage weigerden te betalen. 30 à 40 families bleven weg uit de diensten en dat waren niet de geringsten: fam. Bracht, Bunge, Gerling, Kreglinger, Nieberding, Nottebohm en Osterrieth. Toen het duidelijk werd dat de kerkeraad bijna kritiekloos bezweek voor de verleiding om het ‘Deutschtum’ als identiteit aan te nemen, besloten dezelfde families om voortaan franstalige diensten te gaan beleggen. Zij kwamen samen in de belendende Vlaamsche Evangelische Kerk (Bexstraat 13), een vrije protestantse kerk, waarmee sinds de gezamenljke kerkbouw in 1893 goede contacten waren, onderdeel van de ‘Belgische christelijke Zendingskerk’.

Bij de blijvers drongen enkele leden van de Verwaltungrat (‘kerkfabriek’), m.n. Alfred Schuchard en vader (en later: zoon) Davidis aan op een ‘gemeentevergadering’ waarin men over de toebehorigheid van de Christuskirche: Duits of Belgisch, zou stemmen. Het is er nooit van gekomen. Vlak voor het eind van de oorlog kreeg Pfr. Frick zijn zin en werd de Christuskirche een Duitse kerk. Het gevolg was dat ze na de oorlog onder sekwester werd gesteld (Zie hiervoor Vrints, Klippen). Het is duidelijk: niet pas in 1918, maar reeds in 1914 heeft de Antwerpse Duitse kolonie de doodssteek  gekregen.

Epiloog

Na de oorlog volgt de zuivering. Eerst spontaan, maar dan ook officieel. Alle Duitsers moeten het land verlaten, en ook Belgen van Duitse origine krijgen meldingsplicht in afwachting van een definitief besluit. Dat komt er met de wet op de denationalisering van Belgen van Duitse origine (afname van de Belgische nationaliteit, verlies van bezittingen, gevolgd door uitwijzing). Wie in het Belgisch of geallieerde leger had gediend (en hun naaste familie), ontsnapte aan deze automatische denationalisering. Een andere uitweg:  onweerlegbare bewijzen van trouw aan België  voorleggen (omgekeerde bewijslast noemen ze dat). Ook de Kamer van Koophandel werd op soortgelijke wijze ontduitst, waarbij bedrijven en andere bezittingen onder sequester werden geplaatst. Gezien het blijvende verzet tegen elke Duitse aanwezigheid in Antwerpen (oprichting van Ligue du Souvenir ‘Nooit vergeten’ in 1920) kozen de weinigen die bleven ervoor hun Duitse afkomst zoveel mogelijk te verbergen. Ze gingen naadloos op in de Antwerpse franstalige burgerij.

 

BRONNEN

 

UA

 

  • G. Devos, ‘Inwijking en integratie van Duitse kooplieden te Antwerpen in de 19de eeuw’ in H. Soly and A. K. L. Thijs (eds), Minderheden in Westeuropese steden (16de–20ste eeuw) (Brussel, 1995), pp. 135–156.
  • G. Devos, ‘Die Deutschen und die wirtschaftliche Entwicklung vom Ende des 18. Jahrhunderts bis zum ersten Weltkrieg’ in G. Asaert e.a., Antwerpen und Deutschland. Eine historische Darstellung beider Beziehungen vom Mittelalter bis zur Gegenwart (Antwerpen, 1990), pp. 49-73.
  •  Hilde Greefs, ‘De terugkeer van Mercurius: de divergerende keuzes van de zakenelite in Antwerpen en het belang van relatienetwerken na de heropening van de Schelde (1795-1850)’, Tijdschrift voor sociale en economische geschiedenis 5:2 (2008), p. 55-86.
  •  Greta Devos and Hilde Greefs, ‘The German Presence in Antwerp in the Nineteenth Century’ in: Peter Marschalck (ed.), Europa als Wanderungsziel. Ansiedlung und Integration von Deutschen im 19. Jahrhundert.
  •  I. Bertels, I., De Munck, B., and Van Goethem, H. (eds.), Antwerpen, biografie van een stad, (m.n. hoofdstuk  I: ‘Stadslandschap. Ontwikkelingen en verwikkelingen van een stedelijke ruimte’.

RUG

  • Antoon Vrints, ‘De Klippen des Nationalismus. De Eerste Wereldoorlog en de ondergang van de Duitse kolonie in Antwerpen’ in: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 2002 (10), pp. 14-41.
  • Diverse Mastersthesissen (te vinden op e-thesis):
    • Gijs Thooft, Berlijn – Antwerpen. Economische en politieke aspiraties in Duitsland met betrekking tot de haven van Antwerpen (1886-1918) (ac. jaar: 2000-2001) – bijzonder instructief.
    • Kevin Bovyn, Duitse horeca uitbaters in Antwerpen tijdens de Belle Époque en de Eerste Wereldoorlog : Van migratie tot exclusie (ac. jaar 2008-2009).
    • Natan Vanwildemeersch, Van “Unserm lieben König” tot “Deutschland über Alles”. Duitse scholen in België, 1890-1920 (ac. jaar 2009-2010).
    • Jonas Ongenae, In de naam van de Vader, de Zoon en de Duitse Keizer. Duitse protestantse kerkgemeenten in België voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog (ac. jaar 2010-2011).

veel geciteerd, maar niet uitgegeven, ook niet digitaal:

    • Marina Verlinden, Duitse immigranten in Antwerpen (1860-1890), Gent, RUG, licentiaatsverhandeling, 1978-1979.

VERDER:

  • G. Pelckmans, De Duitse kolonie te Antwerpen en haar invloed op de Antwerpse samenleving (19e eeuw – 1914) (Licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, 1994). Later bewerkt en herschreven tot een populaire brochure:
  • G. Pelckmans en J. Van Doorslaer, De Duitse kolonie in Antwerpen 1796–1914 (Kapellen, 2000)
  • Lieven Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944), Lannoo, Tielt 2000.

Website: www.albertschweitzer.be/duitse_kolonie.htm

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *